Home | Geloof in Allah

De bewijskracht van ontkenning en verloochening


 

VOORWOORD 

بِسْمِ اللهِ الرَّحْمٰنِ الرَّحِيمِ

(1) وَمَا خَلَقْتُ الْجِنَّ وَاْلاِنْسَ اِلاَّ لِيَعْبُدُونِ

 

Het geheim van dit wonderbaarlijke vers herbergt de wijsheid om de mens naar deze wereld te sturen. 

Het doel is de Schepper van het bestaan te leren kennen, in Hem te geloven en met al onze lichamelijke en geestelijke krachten en kunnen Zijn bestaan te erkennen en Zijn éénheid te bevestigen. 

Met uitzondering van de erkenning van God en het geloven in Hem, wat de grondslag en de sleutel van een eeuwig leven is, hebben alle andere zaken en perfecties voor de mens een ondergeschikte waarde, soms hebben ze zelfs helemaal geen waarde. Want de mens verlangt vanuit zijn natuur naar een eeuwig leven, terwijl zijn eindeloze verlangens met verdriet en leed zijn verbonden. 

In de Risale-i Nur zijn deze feiten reeds met sterke argumenten bewezen. Vandaar dat we ons voor wat betreft deze feiten kunnen beperken tot het verwijzen naar de Risale-i Nur. We zullen hier alleen maar twee strijdvragen noemen met elk twee feiten die in deze eeuw het geloof op zijn grondvesten laten schudden en in twijfel laten toenemen. 

De twee feiten van de eerste strijdvraag:

Het eerste feit: Zoals wij in de 13de straal van de 31ste brief hebben bewezen heeft verloochening of ontkenning van algemene zaken die bewezen zijn geen waarde en zeer zeker geen bewijskracht. Bijvoorbeeld wanneer twee ongeschoolde mensen aan het begin van de heilige vastenmaand Ramadan getuigenis afleggen dat ze de nieuwe maan hebben gezien, terwijl duizenden edelen en wetenschappers dit ontkennen en zeggen: “Wij hebben haar niet gezien”, dan heeft hun ontkenning helemaal geen waarde en ook geen kracht. Want wanneer het op bewijzen aankomt, bekrachtigt de ene getuigenis de andere; ze ondersteunen elkaar en vormen samen één geheel.

Bij ontkenning is er geen verschil tussen één persoon of duizend personen. Iedereen spreekt voor zichzelf en blijft alleen. Maar degene die iets bewijst, kijkt om zich heen en oordeelt volgens de werkelijkheid. Zoals in ons voorbeeld, wanneer iemand zegt dat de maan aan de hemel staat, dan zal zijn collega ernaar wijzen en zullen ze elkaars getuigenis bekrachtigen.

Wat ontkenning en verloochening betreffen, wordt er niet en kan er niet worden gekeken naar de werkelijkheid. Daarom is er een bekend gezegde: “Een ontkenning die niet op zichzelf berust of die niet aan een bepaalde plaats gebonden is, kan niet worden bewezen.” Bijvoorbeeld wanneer ik beweer dat er zich op deze wereld iets bevindt en iemand anders zegt dat er zoiets niet is, kan ik door er met mijn vinger naar te wijzen het bestaan van dat iets gemakkelijk bewijzen, terwijl die andere persoon om het te ontkennen, oftewel het nietbestaan te bewijzen, de hele wereld ervoor moet doorzoeken en uitkammen. Zelfs in het verleden moet die persoon alles doorzoeken om daarna te zeggen: “Zoiets bestaat niet en heeft nooit bestaan.” 

Degenen die iets ontkennen of verloochenen oordelen niet volgens wat er zich in de werkelijkheid bevindt, maar eerder volgens hen eigen gevoel, hun eigen verstand en wat zij met hun eigen ogen zien. Vandaar dat ze elkaar zeker niet kunnen ondersteunen en bekrachtigen. Want de sluier, de oorzaken die verhinderen dat zij het zien of weten, zijn allemaal verschillend. Iedereen kan voor zichzelf zeggen: “Ik zie het niet. Voor mij en volgens mijn overtuiging bestaat zoiets niet”, maar niemand kan zeggen: “Zoiets bestaat niet.” Zou hij dat zeggen, en zeker wanneer het niet gaat om persoonlijke, maar om algemene universele zaken zoals het geloof, dan is het een grote leugen waarvan men niet kan zeggen dat het klopt en wat nooit de waarheid kan worden. 

Kort samengevat. In geval van bewijzen is het resultaat één en hetzelfde en wordt het wederzijds bekrachtigd. Wat ontkenning betreft blijft het niet bij één, maar bij meerdere resultaten. Iedereen die zegt: “Volgens mij en volgens mijn standpunt”, of, “volgens mijn overtuiging”, komt met verschillende redenen en dus zal het resultaat ook zeker verschillend zijn en kunnen ze elkaar dus niet ondersteunen. 

Vandaar dat vanuit deze visie het grote aantal verloochenaars en ongelovigen, die ogenschijnlijk in de meerderheid zijn, helemaal geen waarde hebben. Toch, ondanks dat de gelovigen wat hun geloof en zekerheid betreft, helemaal geen reden tot twijfels hoeven te hebben, hebben de Europese filosofen door hun ontkenning en verloochening een groep ongelukkige gelovigen aan het twijfelen gebracht, waardoor zij hun geloof hebben opgegeven en hun eeuwig geluk te gronde hebben gericht. Ze hebben voor de mensheid de betekenis van de dood, die elke dag het lot is van dertigduizend mensen, veranderd van ontslag van deze wereld in verval tot een eeuwige veroordeling en hiermee het fleurig leven van de verloochenaars, die door het graf met haar openstaande deuren, telkens aan hun eeuwige ondergang worden herinnerd, met veel leed en verdriet vergiftigd. Begrijp daarom goed dat het geloof een Goddelijke gift en de kern van het leven is!

Het tweede feit: Wanneer wetenschappers of kunstenaars met een vraagstuk zitten, dan heeft een buitenstaander die niets met hun specialisme te maken heeft, helemaal geen inspraak. Ook al is hij nog zo'n grote architect of medicus, zijn oordeel wordt niet meegeteld in hun vergadering. Bijvoorbeeld de diagnose en de therapie van een zieke die door een beroemd, afgestudeerd architect is gedaan, heeft geen geldigheid ten opzichte van de diagnose en de therapie die door een nog niet afgestudeerde dokter is ingesteld. Vandaar dat bij beschouwing van geestelijke zaken de verloochende woorden van de grootste filosoof, die zich veel met het materialisme bezig houdt, van het geestelijke afstand houdt, zich voor het licht onontvankelijk en tegenstrijdig opstelt en wiens verstand in zijn ogen is gezakt, geen waarde en geen geldigheid hebben. 

Hoe waardevol zijn de woorden van de filosofen die in de wirwar van het materialisme en de enorme verschillende kleinigheden verstrikt raken, verdwalen en erin verdrinken in vergelijking met de woorden van Sjeik Geylani(moge God zijn geheimen heiligen), die nog toen hij op aarde was de geweldige troon heeft mogen aanschouwen, op het gebied van geloofswetenschap over een wonderbaarlijke kennis beschikte, zich negentig jaar op het gebied van geestelijke zaken heeft beziggehouden en de realiteiten van zijn ontdekking op een wetenschappelijk verklaarbare manier (ilmeljakîn), waarneming met de ogen (ajneljakîn), en waarneming met zijn zintuigen (hakkaljakîn)heeft mogen doormaken. En de honderdduizenden andere kenners van de waarheid die met hem op het gebied van de éénheid, de heiligheid en de geestelijkheid overeenstemmen? Is het niet zo dat de verloochening en de tegenspraak van de filosofen zo zwak is als het gezoem van een mug tijdens het donderen bij onweer? 

De essentie van het ongeloof, die de waarheden van de Islam omdraait en bestrijdt, is ontkenning, onwetendheid en verloochening. Ook al lijkt het op een bewijs, een bevestiging, zijn inhoud is waardeloos en niet meer dan een verloochening. Het geloof daarentegen is wetenschap, werkelijkheid, bevestiging en de waarheid. Zelfs negatieve aspecten van een probleem dienen als gordijn voor een positieve werkelijkheid. Wanneer de ongelovigen in hun strijd tegen het geloof, met veel problemen, hun verkeerde overtuigingen in de vorm van acceptatie of bevestiging dat er iets niet is, proberen te bewijzen en aannemelijk te maken, dan kan men dit ongeloof als een verkeerde wetenschap en een verkeerd oordeel opvatten. Is dit echter niet zo en zou het zo gemakkelijk zijn om aan te nemen dat er zoiets niet is, dan is dat volledige onwetendheid en ongeldigheid. 

Kort samengevat. De overtuiging die uit het ongeloof voortkomt heeft twee visies: 

De eerste vorm houdt geen rekening met realiteiten op het gebied van de Islam. Het heeft voor zichzelf een verkeerde overtuiging en een onjuist geloof. Het heeft een verkeerde acceptatie en een fout oordeel. Deze visie wordt door ons niet behandeld. Deze vorm van ongeloof kan zich niet met ons bemoeien en daarom bemoeien wij ons ook niet met haar. 

De tweede vorm verzet zich tegen de werkelijkheden van het geloof en bestrijdt ze. Deze visie kan worden opgesplitst in twee vormen:

In de eerste vorm verloochent het ongeloof dat wat er voorhanden is. Oftewel het niet accepteren van het bewijs. Dit is onwetendheid, ongeldigheid en gemakzucht. Deze visie blijft ook buiten onze beschouwing. 

In de tweede vorm accepteert het ongeloof het voorhanden zijnde niet. Met zijn hart bevestigt het ongeloof het niet-bestaan. Wat deze vorm betreft is het een oordeel, een aanname en een stelling. En omdat het een stelling is, moet het ongeloof bewijzen wat het bestrijdt. 

Wat ontkennen betreft zijn er ook twee mogelijkheden:

Ten eerste zegt het: “In een bepaald bereik of op een bepaalde manier is het er niet.” Deze vorm is te bewijzen en blijft daarom ook buiten beschouwing. 

Ten tweede verloochent en ontkent het de algemene, heilige en eeuwenoude geloofsopvattingen die betrekking hebben op het heden, het hiernamaals, het heelal en de eeuwen die gekomen en gegaan zijn. Deze ontkenning is, zoals we in het eerste voorbeeld al hebben verklaard, helemaal niet te bewijzen. Om zulke ontkenningen te bewijzen is het nodig een gezichtsvermogen te hebben die het bestaan, het hiernamaals en alle hoeken en plaatsen van de eindeloze tijd ziet. 

 De twee feiten van de tweede strijdvraag:

Het eerste feit (2): Doordat de ongelovigen wiens verstand door onvoorzichtigheid, zonden of door het verdrinken in het materialisme, grote zaken zoals oneindigheid, de Grootheid van God en Zijn alles omvattendheid niet kunnen bevatten, doen ze deze met de hoogmoed, die uit hun wetenschap voortkomt, ontkennen en verloochenen. Ze kunnen met hun vastgeroest en op hol geslagen verstand en hun kapotte en op geestelijk gebied dode harten de brede, veel omvattende en inhoudelijke zaken van het geloof niet accepteren. Ze stellen zichzelf vijandig tegen het geloof op, gooien zichzelf in het ongeloof en verdrinken erin.

Wanneer ze oplettend kijken naar de betekenis van hun eigen ongeloof en de essentie van hun vijandschap tegen de Islam, zullen ze zien dat – in tegenstelling tot het geloof met haar acceptabele, passende en nodige grootheid – honderden onmogelijkheden, moeilijkheden en bezwaren zich in hun ongeloof verbergen.

De Risale-i Nur heeft deze feiten met honderden tegen elkaar afgewogen maatstaven bewezen; net zoals twee keer twee vier is. Bijvoorbeeld: Iemand die de onbeschrijflijke grootheid van God, Zijn onmisbaar en noodzakelijk bestaan, Zijn tijdloze eeuwigheid en Zijn allesomvattende eigenschappen niet wil accepteren, kan alleen van zijn ongeloof overtuigd zijn wanneer hij de gebondenheid met God, het noodzakelijk bestaan, en de oneindigheid aan zaken en zelfs de ontelbare atomen ontkent. Of wanneer hij, net zoals de domme filosofen, zowel zijn eigen bestaan als ook het bestaan van het heelal, met alles wat zich daarin bevindt, verloochent en ontkent. Of ten slotte door zijn verstand uit zijn hoofd te halen en er afstand van te doen. 

Door alle feiten die met het geloof en de Islam te maken hebben, op hun eigen manier en noodzakelijkheid toe te wijzen aan de Grootheid van God, worden de gelovigen gered van het ertegenoverstaande ongeloof met zijn dierlijke onwerkelijkheden en zijn wrede onwetendheid. En vinden deze feiten met volledig geloof en in volle overgave hun plaats in vredevolle en recht geleide harten.

Vandaar dat men bij de meeste principes van de Islam zoals het gebed en de oproep tot het gebed telkens 

 

(3)  اَللهُ اَكْبَرُ اَللهُ اَكْبَرُ اَللهُ اَكْبَرُ اَللهُ اَكْبَرُ

zegt, wat de grootheid en de omvangrijkheid van God uitdrukt. 

Of bijvoorbeeld ook met de uitdrukking van de heilige hadith

 

 (4)   اَلْعَظَمَةُ اِزَارِى وَالْكِبْرِيَاۤءُ رِدَاۤئِى

en ten slotte de 86ste paragraaf van het smeekgebed van de “djewschenu-lkebir”, 

 

يَا مَنْ لاَمُلْكَ اِلاَّ مُلْكَهُ - يَامَنْ لاَيُحْصِى الْعِبَادُ ثَنَاءَهُ

يَا مَنْ لاَتَصِفُ الْخَلاَئِقُ جَلاَلَهُ - يَا مَنْ لاَتَنَالُ اْلاَوْهَامُ كُنْهَهُ

 يَا مَنْ لاَيُدْرِكُ اْلاَبْصَارُ كَمَالَهُ - يَا مَنْ لاَيَبْلُغُ اْلاَفْهَامُ صِفَاتَهُ  

يَا مَنْ لاَيَنَالُ اْلاَفْكَارُ كِبْرِيَاءَهُ - يَا مَنْ لاَيُحْسِنُ اْلاِنْسَانُ نُعُوتَهُ

يَا مَنْ لاَيَرُدُّ الْعِبَادُ قَضَاءَهُ - يَا مَنْ ظَهَرَ فِى كُلِّ شَىْءٍ اٰيَاتُهُ

 سُبْحَانَكَ يَالاَۤ إِلٰهَ اِلاَّ أَنْتَ اْلأَمَانُ اْلأَمَانُ نَجِّنَا مِنَ النَّار 

 (5)

 

het zeer bekende smeekgebed van de profeet Mohammed (Met wie vrede en zegeningen zij). Dit smeekgebed 

toont aan dat de geweldige Majesteit en de grootheid van God een noodzakelijke sluier is. 

Share this