Antwoord

“Inderdaad, de listen van de duivel zijn zwak.”[1]

De associatie van verbeeldingen en veronderstellingen zijn een soort onvrijwillige beeldvorming. Echter, wat de beeldvorming betreft, indien deze afkomstig is van iets goeds en van iets stralends, dan verschuift de uitwerking ervan tot op zekere hoogte door naar haar reflecties en naar haar vorm evenals het licht en de warmte van de zon overgaan in haar reflecterende spiegelbeeld. Indien deze afkomstig is van iets kwaads en van iets wat geen licht doorlaat, dan verschuiven de uitwerking en de eigenschap ervan niet door naar haar vorm en kan deze haar beeld niet bereiken. Iets wat onrein en verdorven is, is in haar spiegelbeeld noch onrein, noch verdorven. Bijvoorbeeld, noch kan het spiegelbeeld van een slang bijten, noch kan het spiegelbeeld van een viezigheid jouw vervuilen.
Zodoende is vanuit deze waarheid te oordelen dat een denkbeeldig ongeloof noch ongeloof en dat een denkbeeldige belediging noch belediging is. Het is nog onschuldiger als het gaat om een onvrijwillige denkbeeldige herinnering. En de reden voor het feit dat iets binnen de opvattingen van Ehl-i sunnet wel-djemaat, de waarheidsgetrouwe mensen, hatelijk, afschuwelijk of smerig beschouwd wordt, is omdat het door Allah verboden is. Bijvoorbeeld, het onvrijwillig gedenken van onaangename beelden tijdens het gebed, betekent noch dat jouw hart verdorven is, noch kan het enige invloed hebben op jouw gebed. Aangezien het gedenken van vermoedens en het verstrengelen van ideeën hier nu eenmaal onvrijwillig en zonder instemming gaan, kan men hierdoor niet verantwoordelijk gesteld worden. Hoe smerig en hoe afschuwelijk de vorm van iets ook moge zijn, het spiegelbeeld ervan kan niet als afschuwelijk of smerig beschouwd worden.[2]
O jij, die door de influisteringen van de duivel een argwaan ziekte lijdt! Weet je waarop jouw argwaan lijkt? Zij lijkt op een kwaad, een onheil. Indien je je steeds erom bekommert, dan zwelt zij op; indien je je er niet om bekommert, dan sterft zij uit. Indien je het groots acht, wordt zij groter; indien je het kleins acht, wordt zij kleiner. Indien je haar vreest, wordt je ziek; indien je haar niet vreest, wordt zij licht en verbergt zij zich. Indien je haar ware aard niet kent, dan blijft zij bestaan en vestigt zij zich. En indien je iets van haar ware aard afweet en haar doorziet, haar kent, dan verdwijnt zij.
De duivel werpt eerst twijfel in het hart. Wanneer het hart deze twijfel niet accepteert, verandert deze in een belediging, in smaad en hoon. Vervolgens stellen zich in de verbeelding vele onzuivere gedachten en onzedelijke, smerige beelden op. Dit brengt het hart ertoe “O wee” te roepen, en raakt de mens in wanhopigheid. Op deze wijze bereikt de twijfel de mens en koestert hij argwaan dat zijn hart zich tegenover zijn Heer in een toestand van verdorvenheid bevindt. Hij ervaart een verschrikkelijk gevoel van opwinding en paniek. En om zich daarvoor te behoeden en zichzelf uit de situatie te redden, ontvlucht hij de tegenwoordigheid van Allah en zou hij het liefst in de vergetelheid, in de onachtzaamheid wegzinken. De geneeswijze, de zalf voor deze wond is het volgende:
Kijk, jij arme, door twijfels geplaagde mens! Blijf rustig! Want hetgeen wat in jou opkomt is geen belediging, maar een totale verbeelding. Bijvoorbeeld, het in je gedachten verbeelden van het ontkennen van de zuilen van de iman komt niet neer op het werkelijk ontkennen ervan.
Zo is het verbeelden van beledigingen geen belediging. Immers, volgens de logica kan een verbeelding geen oordeel vormen maar een belediging daarentegen wel.
Bovendien zijn deze ondeugdelijke beledigende woorden niet de woorden afkomstig uit jouw hart. Immers, jouw hart is daaromtrent bedroeft en betreurt. Veeleer zijn deze woorden afkomstig uit het domein van de duivel, gesitueerd in de nabijheid van het hart.
Influisterde twijfels worden een schade wanneer men zich verbeeldt dat het een werkelijke schade is. Oftewel het continu verbeelden dat het een werkelijke schade is, zorgt ervoor dat hij vanuit zijn hart kwelt. Immers, men stelt zich een verbeelding zonder de kracht van het oordeel als een feit voor, de verbeeldingskracht op zich wordt als werkelijkheid weergegeven. Bovendien eigent men zichzelf het werk van de duivel toe, en schrijft dat vervolgens toe aan het eigen hart, in de veronderstelling dat het eigen woorden zijn. Men begrijpt het schadelijke effect ervan en valt tegelijkertijd ten prooi aan dat schadelijke effect, en dat is precies wat de duivel wil bereiken.[3]

Footnotes

  1. ^ De Kuran 4:76
  2. ^ Zie Bediuzzaman Said Nursi, De Brieven, p. 69-70
  3. ^ Zie Bediuzzaman Said Nursi, De Woorden, p. 385-386
10 June 2020 10
www.vragenenislam.nl
Deel