Herken ik mijn moeder in het paradijs en zal zij nog steeds mijn moeder zijn?


De Kuran geeft met blijde tijdingen aan dat mensen die elkaar omwille van Allah liefhebben, moeder, vader, kinderen, broers, zussen, vrienden en familie, elkaar in het paradijs zullen spreken en wanneer ze willen, bijeen zullen komen. Eveneens wordt er in de Kuran vermeld dat hun liefde ververst zal worden en hun oude vriendschappen opnieuw voor eeuwig zullen worden opgericht.

Deze vrienden en naasten zullen volgens de Kuran in diepe schaduwen tegenover elkaar zitten en hun wereldse avonturen aan elkaar vertellen.

Enkele verzen die hier betrekking op hebben zijn het volgende:

Voor hen is de eindbestemming de Tuinen van ‘Adn, die zij binnetreden, tezamen met degenen van hun voorvaderen die oprecht waren en met hun echtgenotes en hun nakomelingen. En de engelen treden door iedere poort naar hen toe, [terwijl ze zeggen:] “Vrede zij met jullie, omdat jullie geduldig hebben volhard [in de zoektocht naar het welbehagen van jullie Heer]. Hoe prachtig is de eindbestemming.”[1]

“Wij nemen weg hetgeen zich aan rancune [ten opzichte van elkaar] in hun harten bevindt. [Zij zijn] als broeders, zittend recht tegenover elkaar, op rustbanken. Daarin treft hen geen vermoeidheid en daaruit worden zij niet verdreven.”[2]

“En zij worden geëerd in de Tuinen van gelukzaligheid, op rustbanken gezeten, hun gezichten naar elkaar toegewend.”[3]

“Te midden van tuinen en bronnen. Zij zijn gekleed in fijne zijde en brokaat, tegenover elkaar gezeten.”[4]

In exegeses wordt de tuin van ‘Adn beschreven als een stad of een paleis die zich bevindt onder de hemel van het paradijs tussen de andere lagen van het paradijs die toegewezen is aan de mukerrabin (profeten, shuheda, siddikin en geleerden).[5] Daarin bevinden zich met goud, parel en edelstenen versierde huri's en met etenswaren uitgeruste paleizen waarin de Tesniem en Selsebiel rivieren stromen, waarin onder de hemel een wind waait die ruikt naar de muskus. Dus dat het een plaats vol met gunsten is en die het oog van de mens niet eerder heeft waargenomen en zich niet kan verbeelden.[6]

Bovendien, met de volgende verzen uit de Kuran komen we te weten dat de mensen, die het paradijs binnentreden als beloning van Allah, zelfs de bewoners van de hel met wie ze in het wereldse leven contact hadden, zullen herkennen.

Ze benaderen elkaar, elkaar ondervragend. Iemand onder hen zegt: “Ik had een vriend, die [altijd] zei: “Ben jij een van degenen die geloven? Worden wij, na te zijn gestorven, na botten en aarde te zijn geworden, beloond [voor onze goede of slechte daden]?” Hij [Allah] zegt: “Kijken jullie [naar beneden]?” Dan kijkt hij en ziet hij zijn vriend midden in het vlammende Vuur. Hij zegt: “Bij Allah, jij had mij bijna vernietigd! Indien de gunst van mijn Heer er niet was, dan was ik een van degenen geweest die [naar de Hel] waren geleid. Sterven wij dan niet, behalve onze eerste dood, en worden wij dan niet bestraft?” Dit is zeker de geweldige overwinning.”[7]

Footnotes

  1. ^ De Kuran 13:23-4
  2. ^ De Kuran 15:47-8
  3. ^ De Kuran 37:43-4
  4. ^ De Kuran 44:52-3
  5. ^ Zie Ibn-i Kesir, IV:373
  6. ^ Zie Razi, XVI:132-133
  7. ^ De Kuran 37:50-60

Gerelateerde vragen