Het geloof en het universum



De īmān is een licht dat het universum verlicht. Hij bevrijdt het verleden en de toekomst van duisternis. Wij zullen deze waarheid middels een denkbeeldige gebeurtenis omtrent het geheim achter het vers ‘Allah is de Helper van degenen die geloven. Hij brengt hen uit de diepe duisternissen naar het licht.’[1] toelichten.

Eens was er een man die twee hoge bergen zag die tegenover elkaar stonden. Tussen die bergen was een geweldige brug gebouwd. Onder de brug was er een heel diep ravijn. Hij bevond zich op die brug. De hele wereld was in diepe duisternis gedompeld. Hij keek naar zijn rechterzijde en verbeeldde een oneindige duisternis waarin zich een zeer grote begraafplaats bevond.

Hij keek naar zijn linkerzijde en zag dat angstaanjagende golven van duisternis waarin dreigende stormen en tegenspoeden waren, hem te wachten stonden.

Vanuit de brug keek hij naar beneden en hij veronderstelde dat hij een verschrikkelijk diep ravijn zag. Tegenover deze vreselijke duisternis beschikte hij over niets dan een zwakke zaklantaarn. Hij zette haar aan en keek met haar flauwe licht. Er verscheen een zeer vreselijk beeld voor zijn ogen. Hij zag overal op de brug en eromheen angstaanjagende draken, leeuwen en wilde beesten. Hierop zei hij tegen zichzelf: “Had ik deze zaklantaarn niet bij me gehad, dan had ik al deze schrikwekkende beelden niet gezien!” Waar hij deze zaklantaarn ook naartoe wendde, overal kwamen hem vreselijke beelden tegemoet. Hij schreeuwde: “O nee! Deze zaklantaarn brengt mij ongeluk!” Woedend sloeg hij de zaklantaarn tegen de grond kapot. Zodra de zaklantaarn brak, was alle duisternis verdwenen en werd de hele wereld verlicht alsof hij de schakelaar van een gigantische elektrisch lamp had aangezet, waarmee de werkelijkheid van alles wat hij zag zichtbaar werd.

Hij zag dat die brug een weg op de vlakte door een buitengewoon mooie plek was. En hij bemerkte dat die zeer grote begraafplaats die hij aan zijn rechterzijde had waargenomen in werkelijkheid prachtige en goed verzorgde tuinen waren waar gezegende mensen onder de leiding van verlichte mensen worden bijeengebracht om aanbiddingen te verrichten, lezingen te houden en aan de verschijningen van de namen van Allah te gedenken. En hij besefte dat de dreigende stormen en tegenspoeden die hij aan zijn linkerzijde meende te zien, in feite geweldige feestmalen en prachtige tuinen om te bezoeken waren. En hij realiseerde dat de schepselen die hij als angstaanjagende draken, leeuwen en dergelijke wilde beesten had verondersteld in werkelijkheid tamme dieren zoals kamelen, stieren, schapen en geiten waren. Hierop zei hij ‘alle lof aan Allah voor het licht van het geloof’ en reciteerde hij het vers 'Allah is de Helper van degenen die geloven. Hij brengt hen uit de diepe duisternissen naar het licht.'[2]

Voorwaar, die twee bergen symboliseren het begin en het einde van het leven, oftewel de aardse wereld en ālem-ul berzakh . Die brug stelt de levensweg voor waarvan de rechterzijde het verleden en de linkerzijde de toekomst symboliseert. Die zaklantaarn representeert het zelfingenomen ego van de mens dat op de eigen kennis vertrouwt en geen gehoor geeft aan de hemelse openbaringen. En de schepselen die als wilde beesten toeschenen zijn de ongewenste gebeurtenissen van de wereld.

Inderdaad, degene die op zijn ego vertrouwt en zich in de duisternis van godvergetelheid en dwaling bevindt, lijkt op die man -in de eerste toestand- waarin hij zich verkeerde in het denkbeeldige verhaal. Met zijn gebrekkige en misleidende kennis die met een zaklantaarn overeenkomt, ziet hij het verleden als een zeer grote begraafplaats waar de overledenen in de duisternis van non-existentie belanden. In zijn ogen is de toekomst een vreselijke plaats, waar alles van toeval afhangt. Hij beschouwt alle heftige gebeurtenissen die met het bevel van de alwijze Genadevolle tot stand komen als doelloze vreselijke voorvallen. Zodoende belandt hij in een duisternis wiens toestand met het volgende vers is verkondigd: 'En degenen die ontkennen [en zich op het verkeerde pad bevinden], hun helpers zijn al-Ṭāghūt; zij brengen hen vanuit het licht naar de diepe duisternissen.'[3]

Indien de leiding van Allah hem bereikt, de īmān zijn hart binnentreedt, zijn opstandigheid jegens Allah zoals die van de farao afbreekt en indien hij aan het boek van Allah gehoor geeft, dan zal hij op de man lijken in de tweede toestand van het verhaal. Op dat moment zal het universum zo helder zijn als daglicht, omdat het met het licht van Allah wordt vervuld. Het is alsof het universum de betekenis van het vers 'Allah is het licht van de hemelen en de aarde.'[4] weergeeft. Dan zal het verleden voor hem niet als een grote begraafplaats ogen. Hij zal zien met de ogen van het hart dat de zuivere zielen van het verleden elke eeuw onder de leiding van een profeet of een ewliyā , groepsgewijs hun verplichtingen jegens Allah hebben vervuld, Allahu-Akbar hebben uitgeroepen en om de verhevene gelukzaligheid te bereiken naar de toekomst (ālem-ul berzakh) zijn overgestapt.

Wanneer hij naar de linkerzijde (de toekomst) kijkt, dan zal hij dankzij het licht van de īmān van verre afstand achter de gebeurtenissen van ālem-ul berzakh en het hiernamaals het feestmaal van de Barmhartige in de paleizen van het paradijs zien. En hij zal begrijpen dat de gebeurtenissen zoals stormen en aardbevingen -alsof ze gehoorzame bediendes zijn- onder het bevel van hun Opdrachtgever handelen.

Bovendien zal hij zien dat de gebeurtenissen zoals voorjaarsstormen en hevige neerslagen naar buiten toe schrikwekkend zijn, maar in werkelijkheid vele subtiele wijsheden in zich herbergen. En zelfs zal de dood voor hem als het begin van het eeuwige leven en het graf als de poort naar eeuwige gelukzaligheid ogen.

Hoe de overige voorvallen in het verhaal de werkelijkheid vertegenwoordigen, kun jij zelf afleiden.


Footnotes

  1. ^ De Koran 2:257.
  2. ^ De Koran 2:257.
  3. ^ De Koran 2:257.
  4. ^ De Koran 24:35.